Minder gedoe in de nacht, meer zicht op slaap voor mensen met een verstandelijke beperking

Donderdag 10 september 2026
12:14
Horlogo

Naomi van den Broek onderzoekt hoe een polsdevice kan helpen om slaap en slaapapneu bij mensen met een verstandelijke beperking minder belastend in kaart te brengen

Wie wil weten hoe iemand slaapt, komt in de slaapgeneeskunde al snel uit bij een uitgebreid onderzoek met sensoren en plakkers op het hoofd en lichaam. Dat is betrouwbaar, maar niet voor iedereen eenvoudig. Zeker van mensen met een verstandelijke beperking kan zo'n onderzoek veel vragen. Juist voor die groep werkt Naomi van den Broek, Arts voor Verstandelijk Gehandicapten (arts VG) en somnoloog bij het Centrum voor Slaapgeneeskunde van expertisecentrum Kempenhaeghe, aan een minder belastende aanpak. De kern van haar onderzoek is helder: kun je met een polsdevice waardevolle informatie verzamelen over slaap en slaapapneu, zonder meteen in te leveren op zorgvuldigheid?

De nieuwswaarde zit in de volgende stap
Waar eerder is teruggekeken naar gegevens uit bestaande slaaponderzoeken, wordt nu in de praktijk gekeken naar een concreet device: de PDL-armband. Die armband wordt aan de pols gedragen en meet onder andere hartslag en beweging.

Daarmee verschuift het werk van Naomi van den Broek van de vraag of deze manier van meten in theorie bruikbaar kan zijn, naar de vraag wat daar in de praktijk voor nodig is. Voor Kempenhaeghe is dat relevant, omdat het gaat over diagnostiek die beter kan aansluiten bij mensen voor wie standaard slaaponderzoek extra belastend is.

Waarom slaaponderzoek voor deze groep vaak ingewikkelder is
De gouden standaard om slaapstoornissen vast te stellen is polysomnografie. Daarbij worden tijdens de nacht onder meer hersenactiviteit, oogbewegingen, spieractiviteit, hartslag en ademhaling gemeten. Dat levert veel informatie op, maar vraagt ook veel van een patiënt. Niet alleen vanwege de sensoren en plakkers, maar ook omdat het onderzoek meestal plaatsvindt in een andere omgeving dan thuis.

Voor mensen met een verstandelijke beperking kan dat extra ingewikkeld zijn. Van den Broek noemt verschillende redenen. Soms is het moeilijk goed uit te leggen waarom zo'n onderzoek nodig is. Soms spelen autisme, ADHD of prikkelgevoeligheid mee. Soms is de veranderde routine op zichzelf al belastend. En soms is de vraag juist heel praktisch: hoe krijg je iemand zover dat alle sensoren ook echt blijven zitten?

Tegelijkertijd is de behoefte aan goede diagnostiek er wel degelijk. Juist als er vragen zijn over onrustige nachten, snurken, ademstops of een verstoord slaapwaakritme wil je verder kijken dan alleen een indruk van buitenaf.

Waarom alleen beweging niet altijd genoeg zegt

Er bestaan al minder belastende manieren om slaap te volgen, zoals actigrafie. Daarbij draagt iemand een apparaatje dat beweging registreert over een langere periode. Dat kan nuttig zijn om het slaapwaakritme in beeld te brengen, maar het heeft ook duidelijke beperkingen. Wie heel stil wakker ligt, lijkt op basis van (gebrek aan) beweging al snel te slapen. En wie juist veel beweegt in de slaap, kan ten onrechte wakker lijken.

Bij mensen met een verstandelijke beperking komt daar nog iets bij. Wanneer iemand beperkt beweegt of motorische problemen heeft, wordt de interpretatie nog lastiger. Precies daar ontstond de vraag waarmee Van den Broek aan de slag ging: kun je slaap beter benaderen als je niet alleen naar beweging kijkt, maar ook naar signalen uit hartritme en ademhaling?

Eerst terugkijken, dan pas echt minder belastend meten
Belangrijk in het verhaal van Van den Broek is de volgorde van de stappen. De eerdere studies gingen nog niet over een ‘apparaatje’ dat de bestaande slaapregistratie al vervangt. Eerst is onderzocht of de onderliggende algoritmen überhaupt toepasbaar zijn bij mensen met een verstandelijke beperking. Dat gebeurde door terug te kijken naar bestaande polysomnografieën van 73 mensen met een verstandelijke beperking die tussen januari 2017 en december 2019 een slaaponderzoek kregen bij Kempenhaeghe.

In die registraties zaten naast de gebruikelijke metingen ook signalen van hartslag en ademhaling. Daardoor konden onderzoekers de gouden standaard vergelijken met een algoritme dat op basis van cardiorespiratoire signalen slaap probeerde te schatten. De eerste vraag was dus niet hoe een wearable eruit moest zien, maar of deze route in de basis kansrijk genoeg was om verder te onderzoeken. 

Van den Broek voert deze onderzoeken niet alleen uit. Het betreft een samenwerking met de TU/e en Philips, waarbij Sebastiaan Overeem, Fokke van Meulen en Pedro Fonseca belangrijke betrokkenen zijn. Het onderzoek is mede tot stand gekomen met subsidie van ZonMw.

Wat de eerste publicatie liet zien
Uit het eerste onderzoek kwam naar voren dat slaap op basis van hartritme en ademhaling inderdaad te schatten is bij mensen met een verstandelijke beperking. Het algoritme werkte het best wanneer niet te fijnmazig werd gekeken. Het onderscheid tussen slapen en wakker zijn bleek beter te benaderen dan een gedetailleerde indeling in verschillende slaapstadia.

Dat past ook bij hoe Van den Broek het zelf uitlegt. Hoe minder kieskeurig de vraag is, hoe beter deze manier van meten kan aansluiten. Zodra je veel preciezer wilt weten in welke fase van de slaap iemand zit, wordt het ingewikkelder. Ook bleek dat epilepsie en polysomnografieën waarin slaap voor laboranten al lastig te scoren was, de uitkomsten negatief konden beïnvloeden.

Naomi

Daarna volgde de stap naar slaapapneu
De tweede publicatie richtte zich op slaapapneu. Daarbij is gekeken of een algoritme op basis van variaties in hartslag en ademhaling een inschatting kan maken van de apneu hypopneu index, de maat die wordt gebruikt om de ernst van slaapapneu te bepalen.

Ook daar zat perspectief in, met nuance. Het algoritme liet zien dat het potentie heeft, maar niet in elke categorie even sterk. Volgens Van den Broek ligt de waarde vooral in het herkennen van situaties waarin er waarschijnlijk geen slaapapneu is, of juist een ernstig beeld. Voor milde en matige vormen ligt dat moeilijker. Daarmee is de uitkomst relevant, maar nog geen reden om te zeggen dat polysomnografie overbodig wordt.

De artikelen over deze eerdere onderzoeken zijn inmiddels gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. Aan het onderzoek met de PDL-armband wordt nog gewerkt.

Focus naar de PDL-armband
Precies daar komt de huidige fase van het onderzoek in beeld. Binnen het lopende onderzoek wordt onder meer gekeken naar de PDL-armband. In de informatiebrief voor wettelijk vertegenwoordigers staat die beschreven als een soort horloge dat tijdens de nacht om de pols wordt gedragen en hartslag en beweging meet.

De focus ligt nu op dat polsdevice, omdat het veel minder belastend kan zijn dan een volledige slaapregistratie met meerdere sensoren en plakkers. Tegelijk blijft de benadering voorzichtig. Van den Broek presenteert het niet als een vervanger die al klaarstaat, maar als een volgende onderzoeksstap. Eerst moet duidelijk worden of zo'n device voldoende bruikbare gegevens oplevert voor deze doelgroep.

Onderzoek dat meeloopt met de zorg
Een belangrijk praktisch punt is dat dit onderzoek onderdeel is van de reguliere zorg. Mensen worden niet apart uitgenodigd voor een extra nacht in het slaapcentrum alleen voor deze studie. Pas wanneer er al een medische indicatie is voor een slaaponderzoek, kan gevraagd worden of iemand wil deelnemen aan het aanvullende onderzoek. Dat maakt deelname minder belastend en sluit aan bij de dagelijkse praktijk van het Centrum voor Slaapgeneeskunde van expertisecentrum Kempenhaeghe.

Voor mensen met een verstandelijke beperking is daar ook passende informatie voor ingericht. In de informatiebrief voor wettelijk vertegenwoordigers staat uitgelegd welke technieken kunnen worden gebruikt en wat deelname betekent. Ook staat daarin dat aanvullende devices zoals de PDL-armband nog in ontwikkeling zijn en geen individuele uitslag opleveren voor de deelnemer.

Wat dit voor de toekomst kan betekenen
De waarde van dit onderzoek zit niet in grote beloften, maar in wat het in de praktijk kan opleveren. Van den Broek merkt dat slaaponderzoek soms als zo belastend wordt gezien, dat er terughoudendheid kan ontstaan om überhaupt door te verwijzen. Tegelijk komen slaapproblemen en slaapstoornissen frequenter voor bij mensen met een verstandelijke beperking en is er wel behoefte aan beter zicht op slaap en slaapstoornissen bij deze doelgroep.

Een minder belastende meting kan dan verschil maken. Niet als snelle consumentenoplossing, maar als een medisch onderbouwde stap die past bij deze doelgroep. Dat vraagt om zorgvuldigheid, juist omdat signalen uit wearables niet zomaar gelijk te stellen zijn aan een volledig slaaponderzoek. Voor Kempenhaeghe ligt daarin een duidelijke opdracht: zoeken naar manieren om diagnostiek toegankelijker te maken, zonder de kwaliteit van de beoordeling uit het oog te verliezen.

Klein device, grote betekenis
De kracht van het onderzoek van Naomi van den Broek zit in die combinatie van bescheidenheid en relevantie. Het begint bij een herkenbaar probleem: slaaponderzoek is nodig, maar niet altijd eenvoudig uitvoerbaar. Daarna volgt stap voor stap de vraag wat er wel kan. Eerst met terugkijken naar bestaande data, daarna met de ontwikkeling naar een device aan de pols.

Voor een breed publiek lijkt dat misschien een klein verschil. Voor mensen met een verstandelijke beperking, hun naasten en de professionals die zoeken naar goede diagnostiek, kan het een betekenisvolle stap zijn. Juist omdat minder belasting soms het verschil maakt tussen iets wel of niet in kaart kunnen brengen.