Eerste hulp bij epilepsie-aanvallenAdviezen bij slaapproblemen
Lees voor

Epilepsiechirurgie

Als medicijnen tegen epilepsie niet helpen, kan worden bezien of epilepsiechirurgie een behandeloptie is. Epilepsiechirurgie is ingrijpend en vergt zeer intensief vooronderzoek. Voorwaarde is dat uit zeer uitgebreid structureel en functioneel hersenonderzoek blijkt dat een exact aan te wijzen gebied in de hersenen de aanvallen veroorzaakt. Dit gebied - de epilepsiehaard - moet bovendien verwijderd kunnen worden zonder dat de operatie tot schade leidt zoals verlamming, spraak- of geheugenverlies.

Kandidaten worden aangemeld bij de Werkgroep Epilepsiechirurgie. Deze werkgroep bestaat uit specialisten van de epilepsiecentra en uit specialisten van de academische ziekenhuizen waar dit type hersenoperatie wordt verricht. Het Academisch Centrum voor Epileptologie vervult een essentiële rol in de selectie van patiënten, in de voorbereiding van een patiënt op een operatie en in de nazorg.

Na elke stap in het vooronderzoek kan het besluit vallen het traject niet te vervolgen. Mogelijk blijkt een operatie toch niet haalbaar of is de patiënt niet in staat het traject te vervolgen. Het vooronderzoek neemt tot zo’n anderhalf jaar in beslag. De eerste fase hiervan vindt grotendeels plaats in het epilepsiecentrum. Er wordt MRI-onderzoek (3 Tesla), aanvalsregistratieonderzoek, neuropsychologisch onderzoek, gezichtsveldonderzoek en mogelijk een PET-scan, MEG-onderzoek en functioneel MRI-onderzoek gedaan. Doel is de epileptogene zone te bepalen en de gebieden te identificeren voor zintuiglijke waarneming, motoriek, sensibiliteit, taalfuncties en het geheugen. In de tweede fase worden deze gebieden verder afgebakend. Dan kunnen bloedvatonderzoek, Wada-test en diepteregistratie (intracraniële registratie) nodig zijn. Eventueel opnieuw beeldvormend onderzoek in combinatie met (simultaan) functieonderzoek. De derde fase omvat de operatie zelf. Die wordt uitgevoerd in een academisch ziekenhuis. In de vierde fase begeleidt het epilepsiecentrum de patiënt. Psychisch en sociale begeleiding, aanpassing van medicatie en zo nodig het bezien van alternatieven bij een negatief operatieresultaat komen dan aan de orde.